“Dat is echt goed, dat moeten meer docenten leren!”

Renske van Wezel (32) traint collega’s in intuïtief pedagogisch tact en gebruikt daarbij een systemische – niet te verwarren met ‘systematische’ – benadering. Klinkt ingewikkeld en zweverig? Op het eerst gezicht misschien wel een beetje. Maar als je er iets meer over te weten komt, en het liefst ook zelf ervaart wat Renske zo gepassioneerd doet, valt dat ontzettend mee.

Renske  van Wezel, Citadel College, vmbo (Engels)
‘Een systemische benadering in pedagogische tact’
Coach: Hans van Dinteren (gestopt)
Subsidiebedrag: €32.511,18, gestart: 2016

Renske heeft gevoel voor klassen die snel als probleemklassen bestempeld worden. Haar teamleidster zei haar dat ze blijkbaar dingen anders doet in de klas. “Héél subtiel, want ik kon niet daadwerkelijk aanwijzen: dat is wat ik anders doe dan anderen. Wel vaar ik op gevoel en mijn eigen inschatting”, zegt Renske. “Ik heb dezelfde boeken, dezelfde les. Wat doe ik dan wat werkt? Ik ben gewoon een beetje eigenwijs in bepaalde dingen; ik doe iets niet op de standaard manier als ik voel dat het anders moet. Zomaar een leerling laten als nakomen als ie zijn werk niet doet, bijvoorbeeld. Daar gaat een leerling in de les écht niet beter of harder van werken hoor! Kijk dan eens naar waarom hij niet werkt.”

Renske van Wezel voor Citadel College

“Je hebt het allemaal nodig”

Terwijl Renske bij Gerbert Sipman (onderzoeker aan de HAN) een training volgde in systemisch begeleiden, wees een collega haar op het LerarenOntwikkelFonds. Na een LOF-bijeenkomst bezocht te hebben kwam ze tot de conclusie dat het LOF haar kon faciliteren om de opgedane kennis en theorie daadwerkelijk in de praktijk in te zetten.

“Mijn plan was om een training aan collega’s te geven op basis van drie doelen: persoonlijke ontwikkeling, kennis over sociale systemen én versterking en integratie van intuïtie. We leren dat je bij bepaalde gedragingen ‘dat en dat’ moet doen. Bijvoorbeeld: een leerling is ontzettend chagrijnig; vaak trekken wij dat ons persoonlijk aan en veroordelen we het. Je kunt ook gewoon vragen: ‘Is er iets? Ik merk dat je een beetje kortaf bent’. Als je als leraar iets voelt, durf dat dan in te zetten! Het principe van het pedagogisch tact is ook dat je in het moment sneller kunt handelen. Ik stoor me er soms aan dat we gewend zijn heel erg op cognitie te leren en niet op intuïtie of emotie. Je hebt het allemaal nodig. Via het onderzoek van Gerbert kwam ik erachter dat intuïtie daadwerkelijk trainbaar is. Dat hebben we gedaan op systemische benadering. En samen hebben we gekeken wat de training moet bevatten.”

“Raar en vaag maar wél interessant”

Bij een systemische benadering gaat het om het verkrijgen van inzicht in je eigen plek in een systeem, welk systeem dan ook, en je verhouding met anderen in dat systeem. Een klas vol leerlingen kan zo’n systeem zijn. Binnen een sociaal systeem is het belangrijk dat alles ‘erbij hoort’, zoals Renske het beschrijft: “Prima als een leerling moe is, of boos. Dat mag er zijn. Dat is ook één van de dingen die ik heb moeten leren in mijn eigen training en is wat ik deelnemers nu leer. Na drie bijeenkomsten gaan mensen echt op een andere manier kijken en dan merken ze dat ze informatie kunnen krijgen die niet cognitief maar op een andere manier binnenkomt. Ze vinden dat dan raar en vaag, maar wél interessant.”

Meer verbinding en respect tussen collega’s

Tijdens de training (zes bijeenkomsten van tweeënhalf tot drie uur) leert Renske haar deelnemers om bepaalde problemen lichaamsgericht en praktisch te maken. In eerste instantie leren ze om systemisch te werken en intuïtie te volgen. Dat kan volgens Renske alleen als je dicht bij jezelf staat: “We starten alle bijeenkomsten met ‘hoe is het in het nu?’, legt ze uit. “Meestal doen we een (ademhalings-)oefening om even tot rust te komen. Dat mag op je eigen manier. Als je denkt: ik doe even niet mee, dan mag je ook vijf minuten naar de muur staren. Alleen daardoor gingen sommigen al ervaren dat ze eigenlijk heel moe waren. Bij iedere bijeenkomst zeg ik wel: ‘je bent je eigen leider’. Even goede vrienden als je even niet meedoet. Halverwege de deur uit: ‘prima’. Soms betekent dat ook emotie. Soms blijdschap, angst, verdriet. Dat is okay, het hoort bij de persoonlijke manier van werken. Wat ik het mooiste vond is dat een groep collega’s elkaar zó veel beter leert kennen. Er kwam veel meer verbinding, veel meer respect. Dat straalt ook weer uit naar de leerlingen.”

Ook onderzoeken deelnemers hoe ze tegenover bepaalde problemen staan en wat er nog meer speelt (bewust of onbewust). Een voorbeeld van een casus: docent 1 draagt een probleem aan; hij heeft moeite met zijn leidinggevende. Meer vertelt hij niet over zijn probleem. Renske vraagt docent 2 ergens in de ruimte te gaan staan; zij representeert de leidinggevende. Docent 3 speelt docent 1 en gaat ergens in de ruimte staan, ten opzichte van de ‘leidinggevende’. Terwijl degene (docent 1) die de casus heeft ingebracht aan het observeren is, geven de ‘spelers’ terug hoe ze het ervaren om op deze manier ten opzichte van elkaar te staan.
Renske ziet in dat mensen dit lastig te begrijpen vinden als ze het niet ervaren hebben. Maar in negen van de tien gevallen, zo vertelt ze, geeft docent 1 aan dat het precies klopt wat de anderen zeggen, voelen en ervaren. “Dat is het systemische gedeelte. Dat dit werkt is bewezen. Hoe het werkt? Dat blijft een raadsel. Het intuïtieve gedeelte is dat je gewoon gaat staan en vertrouwt in wat er in je opkomt.”

Naast de bijeenkomsten krijgen cursisten een reader met theorie en achtergrondinformatie. Bij veel deelnemers viel het kwartje echter pas bij de bijeenkomsten. Dat is juist wat Renske wil; ervaring werkt namelijk krachtiger dan het uitdelen van een theoretische reader.

Moe maar voldaan

Bijeenkomsten worden meestal afgesloten met een vraag als ‘hoe ga je weg?’. De meesten geven dan aan het fijn te vinden dat ze aanwezig waren. Soms zijn deelnemers na afloop moe. Dat kan komen door de redelijk lange duur van de sessies maar ook zeker door de intensiteit.

Collega’s hadden de keuze uit verschillende trainingen. Gelukkig kon Renske met een vrij grote groep van veertien collega’s beginnen. Een aantal mensen gaf ook aan (nog) niet toe te zijn aan deelname. De mogelijkheid bestaat dat er diepe, persoonlijke verhalen en emoties bovenkomen. Ook vragen als ‘waar kom je vandaan?’ (opvoeding, achtergrond, etc.) en ‘hoe ben je van vroeger uit gewend bepaalde dingen te doen?’, kunnen ter sprake komen. Door dit soort vragen te stellen, wordt men meer bewust van zichzelf en de oorsprong van bepaald handelen.

Renske van Wezel voor Citadel College 2

“Ik sta niet met een groot gewaad te wapperen voor de klas”

“Op LinkedIn zag ik laatst iets voorbij komen over intuïtieve training”, vertelt Renske. “Dat was met kaarten en een kring; een soort bidplaats…”. Zo gaat het bij deze trainingen zeker niet. Renske vindt het belangrijk dat zaken in het onderwijs praktisch en toepasbaar zijn. “Ik wil ervoor zorgen dat mensen/docenten zich bewuster zijn van hun intuïtieve waarnemingen. En dat ze hun lijf en gevoel meenemen in hun handelen om zo meer in het moment, en met het hele wezen, ‘aanwezig’ te zijn. Maar ik sta niet met een groot gewaad te wapperen voor de klas hoor.”

Maar hoe vindt vertaling naar het klaslokaal dan wel plaats? Een ingrijpend voorbeeld is het plotselinge overlijden van een leerling. Er was goede nazorg maar uiteindelijk gaan lessen gewoon door. Renske constateerde dat het niet lekker liep in een klas: “Ik was heel erg geneigd te kijken naar degene die er bovenuit stak en heel erg liep te schreeuwen. Toen ik een stapje terug deed zag ik dat het in de ‘ordening’ zat. Er was letterlijk een lege plek ontstaan. De leerling die ‘probleemgedrag’ vertoonde was onbewust hard aan het werk voor het systeem van de klas om ervoor te zorgen dat de plek van de overleden leerling bleef bestaan. Ik ben toen het gesprek aangegaan en gezegd: ‘zij had daar op die plek moeten zitten maar ze zit er niet’. Toen voelde je al iets gebeuren.” Uiteindelijk heeft het overleden meisje een tijd lang een plek gehad in de klas omdat ze toch nog steeds bij de groep hoorde.

Sommige leerlingen merken dat Renske dingen soms anders aanpakt. Een meisje vroeg haar, nadat een ruzie tussen klasgenoten was uitgesproken met behulp van een oefening, of dít is wat ze doet in haar training. “Ik zei: ‘Ja’, toen zei ze: ‘Dat is echt goed, dat moeten meer docenten leren’. Ahhh, toen smolt ik! Want dat denk ik ook”, vertelt ze met een glimlach.

Verder als LOF-coach

Haar LOF-jaar is inmiddels al een tijdje voorbij. Toch ontwikkelt de training zich verder, in samenwerking met Sipman. Renske heeft groepen gedraaid bij verschillende onderwijsinstellingen en dit jaar is ze ook nog eens begonnen als LOF-coach. Vooral het netwerk van het LOF vond zij heel leuk en nuttig. Mede daardoor wil ze graag onderdeel van het LerarenOntwikkelFonds blijven: “Ik ben dus ook echt blij dat ik nu als coach verder mag! Ik had het echt jammer gevonden als het LOF-netwerk weg zou vallen. Ik heb dan het idee dat ik veel dingen niet meer meekrijg”.

“Ik blijf het zeggen: check LOF site!”

Renske lijkt een ideale ambassadeur voor het LOF. “We piepen heel erg… Dat is ook de cultuur binnen het onderwijs: ik doe m’n ding, ga naar huis en het is klaar. Dat vind ik best erg. Je weet als docent zelf waar behoefte ligt… Professionalisering en ondernemerschap; we moeten het met z’n allen doen. Ga aan de slag, breid je netwerk uit! Dus ik blijf het tegen collega’s zeggen: check even de site van het LOF!”

 

Meer weten over het project? Bekijk het profiel van Renske, daar kun je ook direct contact met haar opnemen.
Kijk hier voor meer over het LOF.

Lees ook: